Op 1 april 1933 hing er in Duitsland een vreemde, beklemmende sfeer. De straten leken op het eerste gezicht normaal, maar wie goed keek zag overal dezelfde boodschap: “Koop hier niet.”

Voor veel Joodse winkeliers begon die dag als elke andere. De winkel ging open, de etalage werd netjes gemaakt, en men hoopte op klanten. Maar al snel werd duidelijk dat dit geen gewone zaterdag was.
Onder leiding van Adolf Hitler had het naziregime een landelijke boycot aangekondigd van Joodse winkels, artsen en advocaten. De boodschap was simpel maar hard: Joden hoorden niet meer bij het economische en sociale leven van Duitsland.
Voor de winkels stonden leden van de SA, de paramilitaire knokploeg van de nazi’s. Ze droegen bruine uniformen en hielden borden vast met leuzen. Soms schilderden ze met verf op de ruiten, soms wezen ze mensen op straat streng toe: niet naar binnen gaan, niet kopen, doorlopen.
Binnen in de winkels probeerden mensen hun werk zo goed mogelijk te doen, maar de spanning was voelbaar. Sommige klanten durfden niet naar binnen. Anderen glipten toch snel naar binnen, uit solidariteit of gewoon omdat ze vaste klant waren, maar deden dat met de gordijnen dicht of haastig.
De boycot duurde officieel maar één dag, maar de impact was groter dan die ene zaterdag. Het was een signaal: dit was nog maar het begin. Wat begon met intimidatie en uitsluiting in het openbaar, zou in de jaren daarna steeds verder escaleren.
Voor veel Joodse gezinnen voelde 1 april 1933 als een kantelpunt. Niet alleen omdat ze hun inkomen bedreigd zagen, maar omdat ze zagen dat de overheid zelf meedeed aan de uitsluiting. De bescherming van de staat was veranderd in een bron van gevaar.
Achteraf wordt deze dag gezien als een van de eerste georganiseerde stappen richting de systematische vervolging die later zou uitmonden in de Holocaust.
